Stichting Dodenherdenking Leiden

 

...een volk dat voor tirannen zwicht,

zal meer dan lijf en goed verliezen,

dan dooft het licht.

 

H.M. van Randwijk
(1909 -1966)

Toespraken 2026

Op deze pagina de toespraken tijdens de herdenking 2026:

- Toespraak Hans Goedkoop - Pieterskerk

- Stadsdichter Raymond Tilma - Monument

 

 

Toespraak Hans Goedkoop Pieterskerk 4 mei 2026

VERTROUW DE ANGST – Herdenkingslezing Pieterskerk Leiden, 4 mei 1926

Er was er eens een meisje. Geboren te Berlijn, 1929. Rond haar vijfde door naar Amsterdam, Londen, terug naar Amsterdam. Daar zou ze blijven. Driehoog in de Rivierenbuurt, met haar ouders en haar broertje en zusje. Nederlandse kinderen voortaan – wat ze ook wilden zijn, want zo’n gênante Duitse tongval als haar ouders hadden, daar werd je flink mee gepest.

1940 kwam. Een mooie lente. Op een nacht raasden er vliegtuigen over, ruiten trilden, in de verte baadde Schiphol in een rode gloed. De ‘oorlog’ was begonnen. Een woord dat het meisje nog niet kende, zodat ze vanzelf toch aan iets Duits dacht, Ohrloch, een gat in je oor. Vijf dagen later was het klaar. Nu bleek alleen ineens het hele land Duits, zoiets geks, maar met de Duitse taal moest je in de Rivierenbuurt nog steeds niet aankomen. Dat stelde het meisje gerust.

Al gauw werd alles ook best weer normaal. Zij ging naar school en Pappi naar zijn werk. Dus toen op een ochtend de bel ging, deden ze open zonder eerst uit het raam te kijken. Zo verschenen er twee mannen in Duits uniform aan de ontbijttafel – en van wat er toen gebeurde heeft het meisje achteraf alleen nog losse beelden, halve zinnen. Met als uitkomst dat pappi haar omhelst en tussen de twee mannen in de trap afloopt. Een van de mannen, zelf misschien bedremmeld over wat hij aan het doen is, kijkt nog even naar het meisje om en zegt iets om haar gerust te stellen. ‘Der Vati kommt bald wieder.’

Die woorden knoopt het meisje in haar oren. Haar moeder legt haar uit dat pappi nu in een gevangenis zit omdat hij ‘joods’ is. Dat vindt pappi niet, maar de Duitsers zeggen het, die snappen niet wat joods is en doen er gemeen over. Daarom is het beter als ze christelijk worden, dat is mammi van huis uit toch al, dan komt het goed. Zij kunnen pappi schrijven, hij schrijft terug en hij komt ook weer terug. Der Vati kommt bald wieder, die meneer zei het toch al?

Het meisje houdt zich daaraan vast. Gaat naar de kerk, wat ze zo saai vindt dat het haast wel moet betekenen dat God haar vader aan haar teruggeeft als ze dit maar volhoudt. Schrijft hem ook en krijgt dan lieve briefjes terug. Hij schrijft dat hij het voelt wanneer zij aan hem denkt en dat zij hopelijk kan voelen dat hij aan haar denkt, want dat doet hij altijd. Hij schrijft vervolgens wel steeds minder, in 1943 helemaal niet meer, maar de belofte blijft. Hij komt.

Zo wordt het 1945. De bevrijding. Alles gonst van de geruchten over mensen die vanuit ‘het oosten’ weer op weg naar huis zijn en het meisje denkt weleens dat ze haar vader ziet. Een silhouet op straat, zijn regenjas. Maar hij blijft weg en het duurt nog een jaar voor er een envelop komt van het Rode Kruis, met een bericht dat aanneemt dat haar vader ‘door uitputting, ziekte of vergassing om het leven is gekomen’. Ergens in Nacht und Nebel, tijd en plaats niet meer te achterhalen.

Sindsdien is de wereld voor het meisje onherkenbaar. Het is er een zonder pappi, daar begint het mee. Maar het is niet alleen zijn dood. Het zijn de levenden. Ze merkt aan grote mensen om haar heen dat die niet helemaal verrast zijn over het lot van haar vader. Die vermoedden al dat hij niet terug zou komen en besloten haar dat inzicht te besparen, laat haar maar. Ze heeft daardoor niet eens de kans gekregen om voor pappi nog iets goeds te doen. Ze is bedrogen.

Voor het meisje, vijftien nu, is dat misschien nog wel het ergste. Hoe nu verder met de levenden? Hoe verder in een wereld van bedrog? Ze besluit dat ze moet durven te vertrouwen op zichzelf en niemand anders. Ze moet leren luisteren naar de signalen die ze al die jaren heeft verdrongen, de signalen van haar angst. Die waren er natuurlijk dag aan dag geweest, maar voortaan moeten ze haar waarschuwen en zelfs beschermen. Hoor ze dus aan. Vertrouw je angst.

 

Dat ik u vertel over dit meisje is omdat u haar misschien wel kent. Als u er oud genoeg voor bent en Leids genoeg, dan hebt u haar misschien zelfs wel op deze kansel zien staan. In 1982 gaf ze hier de prestigieuze Huizingalezing, die haar toevertrouwd werd omdat ze als eerste columnist van Nederland tot de meest invloedrijke meningmakers van het koninkrijk behoorde. Ze schreef in Vrij Nederland, haar naam luidde Renate Rubinstein.

Ik vertel ook over haar omdat ik haar biografie schrijf en gefascineerd volg hoe de weggedrukte angst uit de bezettingsjaren in haar leven doorwerkt. Ze schrijft over alles wat de actualiteit maar aanreikt, van ons land tot Israël en de Sovjet-Unie, van politiek tot liefde en ziekte, maar zo nu en dan breekt daar doorheen waar het uiteindelijk om gaat. ‘We komen nu terecht in een andere wereld,’ zoals ze een column opent. ‘Niet de wereld van sleur en fantasie, van geldgebrek, twistgesprek, huiskamergekwek, maar in de realiteit, dat wil zeggen in de spleet in de rots van ons zelfvertrouwen die we kortheidshalve Auschwitz noemen.’

De realiteit, alstublieft. Zo anders en toch ook zo dicht onder de oppervlakte van de dingen van de dag. Renate schrijft al in de jaren zestig, als ons land ‘als één man’ achter Israël staat, hoe nu net dat joodse land de Palestijnen tot de ‘nieuwe joden’ maakt, ontdaan van rechten, in de marge. Ze noteert politiegeweld in eigen land tegen de Provo’s. In haar buitenhuisje in de Achterhoek valt haar op hoe fazanten van hun land worden gejaagd door tractors en vermoord door jagers. Ze hoeft maar een sproeiwagen van de NS te zien die het spoor onkruidvrij houdt en ze weet wat dat voor plant en dier betekent aan onopgemerkt geweld.

Want dat is het – het wordt niet opgemerkt. We spelen allemaal mooi weer. Dat is ‘de oudste en meest verbreide aller ideologieën, de stilzwijgende afspraak dat het leven gewoon is. Gaat er in dit gewone, prettige, gezellige leven dat wij leiden ooit iemand dood? Wordt er ooit iemand vermoord? [-] Zelfs de beul bindt de gedoemde nog een blinddoek om, opdat hij niet merkt dat hij straks dood is.’

Het bedrog van ons bestaan. Daar is het weer en daar begint de opdracht van Renates schrijverschap. Je moet de dingen onder ogen zien om er iets aan te kunnen doen. De wereld valt uiteen in ‘mensen die iets dat waar is willen onthullen en die, die iets dat waar is geheim willen houden’. De geheimhouders schuwen de waarheid en proberen die te onderdrukken met gevangenissen en verdwijningen. De onthullers zoeken de waarheid en verlangen naar vrijheid en bevrijdingen.

En hoe kies je dan voor de waarheid? Dat begint voor haar met het ontdekken van onwaarheid. Wat dan weer begint met een signaal dat je van binnen krijgt, er klopt iets niet. Een angstsignaal zoals ze uit de oorlog kent, liefst zou je het weer wegdrukken. Maar luister je ernaar, dan ga je de ‘realiteit’ zien en kun je daar iets aan doen. Dus leve de angst. Het is de angst die redt uit het bedrog.

 

Dat brengt me bij de eigenlijke reden waarom ik Renate aan u voorleg. Ik denk dat zij niet de enige was die haar oorlogsangsten activeerde om de waarheid toe te laten. Het was iets dat velen deden en de hele samenleving vormde, te beginnen bij de mantra dat wij niet mogen vergeten, elke vierde mei. Het goede niet vergeten, het verzet, de menselijkheid tegen de stroom in. Maar het kwade evenmin, het repressieve en genocidale. De herdenkingen werden de vorm waarin we de vernietigende realiteit onder ogen zagen en verwierpen. Nooit meer. Never again, plus jamais ça, en zelfs nie wieder, ook de Duitsers deden mee.

Uit die vermaning groeide een Europa dat als nooit tevoren inzette op vrijheden en rechten voor de burgers. Met gevangenissen waar alleen nog mensen zaten die echt kwaad hadden gedaan. Met oog voor kwetsbaren en minderheden en van lieverlede zelfs voor dier en plant. Met kortom steeds meer dat gezien werd, dankzij vrij maatschappelijk debat. Het mirakel van de open samenleving.

Tegelijk bleef er een scherp besef bestaan dat het vernietigende kwaad niet weg was. Na de val van nazi-Duitsland stond een vijand op in de Sovjet-Unie, net zo totalitair, met strafkampen en geen schijn van openbaar debat. Europa haastte zich om een defensie op te bouwen. Onder de hoede weliswaar van de Verenigde Staten, maar evenzogoed opmerkelijk, want voor de oorlog hadden heel wat Europese landen een verdediging van niets. Denk aan ons leger op de fiets.

Die afschrikking bleek effectief. In plaats van oorlog kwam de Koude Oorlog, een bevroren strijd, en op den duur bleek dat die zelfs te winnen was. De Sovjet-Unie zakte in de jaren tachtig door zijn hoeven en het westen hoefde enkel toe te kijken om de overwinning op te strijken. De open samenleving bleek de sterkste en Renate, in haar laatste levensjaar 1990, was opgetogen als een kind dat ze het mee mocht maken. Two cheers voor ons! Eén voor het schrap staan tegen Moskou, twee voor het erkennen dat er dus echt reden was geweest voor angst. Hurrah!

Voor Renate was dat een geweldige opluchting, want in de jaren zeventig al viel haar op dat we die angst van ons niet meer zo serieus namen. Moesten we nog vrezen dat de Russen zouden komen? ‘Ik denk het wel,’ zoals cabaretier Wim Kan het zei toen steeds meer dissidenten naar het westen vluchtten, ‘maar één voor één.’ Een paar jaar later kwam het hoogtij van de vredesbeweging in ons land, die kernwapens de wereld uit wilde, ‘te beginnen bij Nederland’. We zagen de vijand niet meer zo. Je kon er vast een vriend van maken.

Na de val van de Sovjet-Unie leek Rusland inderdaad tegen ons westen aan te kruipen en de nieuwe leider Poetin bleef die indruk wekken na zijn aantreden in 1999. Gek was alleen dat hij al gauw de orthodoxe kerk omarmde als een baken van het eeuwige Rusland, zo verschillend van het westen. Gekker nog werd dat de patriarch van deze orthodoxe kerk al gauw een Rolex van een ton droeg, dat de vrije pers verstomde en het leger Oekraïne binnenviel in 2014. Toch duurde het nog acht jaar voor we echt goed schrokken bij een tweede Russisch Oekraïne-offensief. Hadden we een vijand?

Sinds die tijd hoor ik Renate in mijn oor. Over Rusland in Oekraïne, over Israël in Gaza, en het laatste jaar ook over de Verenigde Staten in god weet wat niet allemaal. Geweld is terug, grootscheeps en soms genocidaal. Niet eens in het geheim, het wordt ons aanbevolen als in Hitlers hoogtijdagen, tot totalen Krieg aan toe. We bomb them back to the Stone Age, where they belong. En they zijn niet alleen de legers, ook de burgers. Oorlogsrecht is scheurpapier. De realiteit is terug en mijn Renate biedt vanaf haar wolk voortdurend commentaar. Kom op nou jongens, wer-ke-lijk. Die bloedlust van Rusland tot Amerika. Europa net zo weinig voorbereid als in 1939. Ik zou maar eens bang gaan worden!

Wel, dat zijn we ook natuurlijk. Daar kom je niet onderuit. We zeggen het ook veel tegen elkaar. Maar die erkenning van de situatie neemt niet weg dat je de angst zo af en toe probeert te dempen en, om toch maar iets te doen, je nieuwsconsumptie gaat beperken. Ik betrap mezelf erop dat ik veel in een ooghoek wegdruk en maar zo’n beetje doorga.

Jaahaa, hoor ik Renate al, alsof het leven heel gewoon is.

Je zie het politici ook doen. Vasthouden aan verhoudingen waarop men tot voor kort nog kon vertrouwen. Israël dus sparen, toch een bondgenoot. De Verenigde Staten maar niet voor het hoofd stoten. Zolang die bondgenootschappen officieel niet zijn verbroken doen alsof ze nog bestaan – zoals een stripfiguur nog een paar meter doorloopt als de grond onder zijn voeten al verdwenen is.

Je ziet het zelfs de NAVO doen. Wanneer een paar dozijn Russische drones het Poolse luchtruim binnenvliegen, wordt dat groots beantwoord met F35’s en raketten. Wij staan pal. Maar dan blijkt dat er nauwelijks een drone geraakt is. Dat de NAVO zelf nog amper drones heeft. Dat er in Oekraïne nu al twee jaar lang een droneoorlog woedt en dat de NAVO zich daar toch nog altijd niet op instelt en probeert te blijven doen alsof het leven heel gewoon is.

En? Dus?

Sorry, daar komt Renate weer.

Ja mag ik even? Lieve schatten allemaal, hier in die prachtkerk. Zit u te herdenken? Is het stemmig, met dat jeugdverhaal van mij? Achottechot, u bent natuurlijk toch gewend dat het bij een herdenking veilig over vroeger gaat, waar je iets plechtigs over zegt en klaar. Dat was natuurlijk heel lang prima. Maar dat is voorbij en dat is ook weer prima. Laat u mijn verhaal maar even zitten, denkt u liever maar aan nu en aan uzelf. Wordt u maar bang. Het hoort erbij. Dan zie je waar je staat, dat is al één, en op den duur ook waar je heen wil, dat is twee. De angst helpt je vooruit. Dat is precies wat er gebeurde toen we na 1945 aan een wereld gingen bouwen die er achteraf gezien toch best mee door kon. Dat was waar wij eigenlijk mee bezig waren toen wij in 1946 voor het eerst gingen herdenken. Dat zijn de prioriteiten, lieve mensen. Zet ‘m op!

 

Stadsdichter Raymond Tilma

De Architectuur van Mist
We smeden betekenis uit de nevel die hangt
tussen witte stenen, waar de tijd is blijven steken
elke naam het vertrekpunt van een reis die nooit begon
duizenden verhalen die al voor aanvang bezweken

Jacoba, Anton, Jan en alle slachtoffers:
in een andere wereld werden ze tachtig
kenden het lachen van achterkleinkinderen
en kwamen thuis, door storm en tegenwind

We spinnen draden van wat had kunnen zijn
liefdes niet verklaard, boeken niet geschreven
gezichten zonder rimpels, simpele verhalen
waar zijn ze gebleven?

De mist vult het gat van levens
die enkel als herinnering bestaan
en wij kijken door grijs beslagen ramen
zoeken naar de namen, wijzen mensen aan

Tussen gemis en grip op de geschiedenis
is er de stilte van wie bleef staan
de ambtenaar die schreef, de buurman die niet wegkeek
De vissersvrouw die weigerde aan de kant te gaan

Ze dachten dat het wel weer zou verdwijnen
zoals morgendauw op het gras
ze hebben niet geweten dat wat schemerde
het einde van de vrijheid was

Die vrijheid wordt stilzwijgend ontnomen
wanneer het eerste woord wordt doorgestreept
wanneer een naam niet meer wordt uitgesproken
en niemand vraagt wie haar heeft weggeveegd

Steek je hand uit vóórdat namen verdwijnen in rechte lijnen
die in koude stenen gebeiteld staan
want wie zwijgt als een ander wordt gewist
bouwt mee aan een architectuur van mist

Dus spreek de namen, breek de nevel
geef de stilte een gezicht en weiger te vergeten
want alleen als we vertellen
kan de wereld weten

Gepubliceerd door: ICT4Free